Therapie op school
‘De kinderen die ik zie hebben allemaal een revalidatie-indicatie. Dat betekent dat ze door hun handicap extra hulp nodig hebben. Ik zie veel kinderen met een lichamelijke en/of verstandelijke handicap. Sommige kinderen hebben veel ziekenhuisopnames gehad of hebben het moeilijk om met hun handicap om te gaan. Dan haal ik ze uit de klas voor therapie. Dat kan een gesprek zijn over iets waar ze moeite mee hebben. Soms is dat iets wat ze moeilijk vinden door hun handicap. Of dat ze zich onzeker voelen, of zichzelf gaan vergelijken met andere kinderen. Als kinderen ouder worden zijn ze zich hier steeds meer van bewust. Dat zie je vaak vanaf een jaar of negen. Kinderen die bijvoorbeeld ook 1 dag in de week naar een gewone school gaan, die zeggen dan: “Waarom ben ik anders dan de rest?” Dan praten we daarover en help ik de kinderen hoe ze met deze gedachte en dit gevoel om kunnen gaan. Hoe leg je dat uit aan een ander, wat je hebt? Hoe is dat voor jou?’
Samen kijken wat een kind nodig heeft
‘We werken hier met een groot team: de revalidatiearts, logopedisten, fysiotherapeuten, ergotherapeuten, psychomotorisch therapeuten, therapieassistenten, maatschappelijk werk en het onderwijsteam van De Twijn. En ik dus als orthopedagoog. Iedereen kijkt vanuit zijn eigen vakkennis naar het kind. Laatst was er een kind dat zelfstandiger wilde worden en alleen ergens naartoe wilde leren fietsen. Dan denken we samen na: wat heeft dit kind nodig, rekening houdend met zijn ontwikkelingsniveau? Gedraagt het kind zich veilig in het verkeer? Is er een nare ervaring geweest met fietsen, heeft hij misschien een aangepaste fiets nodig? Wat speelt er allemaal? Dan is het niet alleen maar leren fietsen, maar alles eromheen. Dat maakt het zo leuk. In mijn vorige baan werkte ik vooral alleen. Hier doen we het echt samen, en dat was precies wat ik zocht.’
Soms moet ik lastige onderwerpen bespreken
‘Soms is het onderwerp waar we over moeten praten niet makkelijk. Het komt zeker weleens voor dat kinderen het liefst niet bij me komen. Of dat ze een bepaald onderwerp het liefst niet willen bespreken. Dan zeg ik: “Ik snap dat je geen zin hebt, maar we gaan toch even samen kijken.” We moeten goed uitleggen wat ze eraan hebben als ze het toch proberen. Dan ben ik degene die goed moet kijken wat er echt aan de hand is. En soms gaat dat dan beter dan verwacht. Het fijnst is als ouders of leerkrachten zeggen: “We zien dat het kind dingen beter aankan nu.” Of: “We hebben er thuis iets aan gehad.” Daar doe je het voor. Als een kind zelf dan ineens zegt: “Ik vond het fijn dat je luisterde” of me uit zichzelf een knuffel geeft, dan raakt me dat. Dat overvalt je soms een beetje. Dan weet je: het heeft echt iets gedaan.’
Het is gewoon een heel mooi vak
‘Ik ben hier nog lang niet uitgeleerd. Het vak is zó breed, zeker ook op de scholen. Geen dag is hetzelfde. Ik werk soms met kinderen met heel verschillende uitdagingen: kindjes die problemen hebben met eten of die kanker hebben gehad. Je kunt niet overal specialist in zijn, maar ik probeer steeds bij te leren. Nu bestudeer ik bijvoorbeeld de behandelingen na een nare ervaring. En wie weet is dat over een maand weer iets anders. Bij Vogellanden krijg je daar de ruimte voor. Ze verwachten ook dat je blijft ontwikkelen, en dat vind ik alleen maar goed. Ik wil mensen kunnen helpen met de kennis van nu, niet van vijf jaar geleden. En dat ik dan mag meekijken in het leven van een kind of gezin. Dat ik echt iets kan bijdragen. Dat blijft bijzonder. Het is gewoon een heel mooi vak.’